Asielzoekers zijn op zoek naar bescherming buiten de grenzen van het eigen land. De Europese Unie (EU) biedt deze bescherming. EU-lidstaten trekken gezamenlijk op bij het opstellen en uitvoeren van wet- en regelgeving voor asielmigratie.
Mensen die in hun land van herkomst geen of onvoldoende bescherming hebben kunnen asiel krijgen. Bijvoorbeeld als ze een gegronde vrees hebben voor vervolging in hun land op grond van ras, religie, nationaliteit, politieke overtuigingen of het behoren tot een sociale groep. De kern van asielbescherming is het principe van non-refoulement, het principe dat iemand niet mag worden teruggestuurd naar een land waar zijn/haar leven in gevaar is.
Asiel kan worden toegekend op basis van het Internationale Vluchtelingenverdrag. Iemand is dan een vluchteling in de juridische zin van het woord. Subsidiaire bescherming is voor diegenen die niet in aanmerking komen voor een status als vluchteling, maar voor wie wel zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat er bij terugkeer een reëel risico is op een levensbedreigende situatie.
De wet- en regelgeving voor asiel in Nederland is vooral afgestemd op: